Blog prematuur kind
Prematuriteit

Het premature kind.

De stilte galmt in mijn oor.  Het wordt met regelmaat onderbroken door een luid monotoon gebrom, van een couveuse die hard werkt om dit kind, mijn kind, warm te houden. Het is niet helemaal zoals je het je voorstelt tijdens de zwangerschap.  Je droomt van zachte babygeluidjes, van gekir en zachte kreetjes en huiltjes en kuchjes en lachjes, vooral veel lachjes want hoe dat kind ook zal zijn; laat het boven alles in vredesnaam gelukkig zijn. Maar hier zijn geen huiltjes en kreetjes en lachjes. Hier wint de oorverdovende stilte het. Het is net zo beklemmend als het naargeestig is. Wij lijken net als alle andere ouders: wij maken foto’s met ons kind waarop we gelukzalig de camera in kijken, wij knuffelen en kussen en voeden zo vaak als we denken dat nodig is, wij vijlen nageltjes, verschonen  vieze luiers, alles met een glimlach, wij zijn apetrots op onze pasgeborene, zoals elke andere nieuwe ouder genieten wij ons suf. Alleen de stilte weet dat wij sterke toneelspelers zijn.

Want wij leven tussen hoop en vrees, tussen vandaag en gisteren, tussen de realiteit van nu en de droom van hopelijk overmorgen. Hier is geen wolk, geen roze en geen blauwe. Geen beschuit met muisjes, geen ooievaar in de voortuin, geen schreeuwen van de daken want ons kind is geboren, er is niets van alles dat we wilden dat er was. Behalve dan het kind. Het kind, ons kind, mijn kind en zijn kind. Een jongetje, met een sonde in zijn neus en twee infuzen; een in zijn rechtervoet en een in zijn linkerhand. Op zijn borstkas drie plakkers met dierenplaatjes waar draden aan zitten die naar de monitor lopen.

Hij is er wel, zo veel eerder dan gehoopt, zo veel kleiner dan verwacht, zo veel sterker dan gedacht. De monitor vertelt een statisch verhaal: dit is zijn temperatuur, zijn hartslag, zijn ademhaling. Elke dag hetzelfde, ‘geen incidenten’. In dit niemandsland doet hij het naar behoren.

Hij ademt, hij drinkt, hij slaapt, hij groeit en bloeit, hij doet alles wat hij moet doen.  En wij zeggen duizend keer op een dag tegen onszelf en elkaar dat hij in goede handen is. Ook al zijn dat vreemde handen die naar desinfectans ruiken. Ook al zijn wij daar niet voortdurend. Ook al kan hij ons niet ruiken en horen en zien en voelen. Soms geloven we onszelf of elkaar niet, en dan zeggen we het iets harder. Misschien maakt dat het meer waar.

De stilte blijft galmen. En wij zijn moe, doodop. In een andere tijd, een ander moment, zouden we wellicht ten strijde trekken, maar ook wij weten: wij kunnen hier niet tegenop. Dit is wat het is, ook wij zijn niet bij machte deze realiteit te veranderen. Op een dag mag hij mee naar huis, daar werken we naartoe. Daar waar het naar leven ruikt, naar eten en liefde en de kat bij het haardvuur. Daar waar de geluiden zijn, de stem van papa en de lach van een grote broer, het gemiauw van die kat en een mama die zachtjes voor hem zingt.

Waar alles is zoals het zijn moet.
Waar de stilte geen stem meer heeft.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *